Header Texel 2016 / Copyright © JTravel.nl

Programma voor vandaag:
Vandaag is de planning om twee musea te bezoeken: het Cultuurhistorisch Museum Texel in de Waal en het Kaap Skil Museum in Oudeschild.

Overnachting: Fletcher Hotel De Cooghen - De Koog. (Voor foto's van het hotel, zie Foto's Fletcher Hotel De Cooghen).


De kerk van De Waal


Vanochtend word ik, opnieuw veel te vroeg, door een blaffende hond op de gang gewekt. Gelukkig val ik ook nu wel weer in slaap. Het is uiteindelijk 09.15 uur als ik opsta, ik heb vannacht heerlijk geslapen. Ik kleed me aan en daarna loop ik naar het ontbijt. Het is niet zo druk, maar ik ben vandaag ook aan de late kant. Ik kies voor een paar geroosterde boterhammen met kaas, een cracker met kaas en een bakje kwark met vers fruit en een kop koffie. Na het ontbijt loop ik terug naar mijn kamer en maak ik me klaar voor de fietstocht naar De Waal en Oudeschild. Op de kaart heb ik een route uitgestippeld en als ik ergens niet uitkom, zijn er onderweg vast wel ergens borden die me de weg wijzen. Ik fiets in de richting van afslag 15 en fiets daar de Pijperdijk op. Dit is volgens mij de snelste route naar De Waal. Op een gegeven moment zie ik dat de route voor fietsers naar De Waal binnendoor gaat. Ik neem dit fietspad en ik fiets tussen de weilanden door naar De Waal. Het is een rustige route en weer eens wat anders dan een weg met overal auto’s die voorbij rijden.

Ik fiets voorbij de kerk in De Waal naar het Cultuurhistorisch Museum Texel. Dat is de reden dat ik naar De Waal gekomen ben. Ik wil dit museum bezoeken. Voor het museum parkeer ik mijn fiets en loop dan eerst terug naar het kerkje deze van de buitenkant te bekijken. Niet ver van de kerk staat ook het beeld van de Sommeltjes, iets dat zeer bekend is hier in het dorp.

Ik bezoek het Cultuurhistorisch Museum Texel. Na betaling van de entree krijg ik een plattegrond van de tentoonstellingen mee zodat ik alles kan vinden. Het Cultuurhistorisch Museum Texel is in 15 delen, verschillende exposities, verdeeld en elke expositie heeft een eigen onderwerp. Dit museum gaat over het boerenleven op het eiland Texel. Zo zijn er rijtuigen, een smederij die nog in gebruik is (het ruikt er erg naar metaal dat net bewerkt was), ook aan de schapen is gedacht, er staat een ouderwets spinnenwiel. Er zijn uitlegkaarten over de verschillende exposities. Het museum is zeer interessant. Ik heb alleen niet het geduld om de films te bekijken. Er is informatie over de bloembollenteelt, de meikrap en de vlasbouw. Ook is er een oude statenbijbel, informatie over de brandweer en de Texelse kermis. Het zware leven van de Texelse boerenvrouw wordt uitgelicht met o.a. de strijk, naaimachines, weefgetouwen. Er zijn buiten een oud toilet en een tuunwal te zien en je moet ook buitenom naar een tweede gebouw om daar iets van het leven op de boerderij, zoals de kaasmakerij te kunnen zien. Er zijn twee verdiepingen, twee exposities zijn boven te vinden en de rest van de tentoonstellingen zijn op de begane grond.

 

Een paar onderwerpen licht ik uit, onderstaand zijn de teksten zoals die in het museum te lezen waren, ik heb deze informatie gefotografeerd en thuis overgetypt:

Rundveehouderij
Tot ver in de 19e eeuw werden er op de Texelse boerenbedrijven slechts 1 tot 5 melkkoeien gehouden, in allerlei kleurslagen. Het meeste rundvee werd gehouden voor de vetweiderij (voor de vleesconsumptie) en voor de aanfok van jong melkvee ten behoeve van de gespecialiseerde melkveebedrijven in Noord-Holland. Pas met de oprichting van de zuivelfabrieken rond 1900 werd speciaal voor de melkproductie gefokt. Sinds die tijd hebben de Texelse boeren een uitstekende reputatie als fokker van zwartbont melkvee. Vanaf circa 1995 stapten er als gevolg van de Europese landbouwpolitiek weer enkele veehouders over van melkvee op zoogkoeien/vleeskoeien en zo kwamen er weer allerlei kleurslagen rundvee op Texel.

Schapenhouderij
Texel wordt vooral geassocieerd met schapenhouderij. Texel, schapeneiland. Het Texelse schapenras 'de Tesselaar' is wereldbekend. Ooit waren schapenkaasjes en wol de belangrijkste exportproducten van Texel. De Texelse schapenkaas was al in de Middeleeuwen ver buiten Texel beroemd. Tegenwoordig wordt de schapenteelt vooral voor zuivelproductie (kaas) en consumptie (lamsvlees) gehouden, omdat het scheren van de schapen inmiddels bijna evenveel kost als de wol opbrengt. In het museum wordt een film getoond van de schapenhouderij op Texel omstreeks 1948. Daarnaast kan iedereen zien hoe de Texelse pielsteert, het oude Texelse schapenras, in de loop der tijd veranderd is in de huidige Texelaar. Vroeger werden op Texel schapen gehouden voor de wol en om schapenkaas te maken. Al in de 15e eeuw was sprake van export van Texels schapenkaas naar Deventer en het buitenland. Texelse groene schapenkaas was in binnen- en buitenland beroemd. De pielsteert, het oude Texelse schapenras, was een sober dier, het wierp één lam per jaar, gaf veel wol en melk, maar het was geen vleesschaap. In 1561 waren ongeveer 25.000 stuks schapen, rammen, lammeren en weren op Texel. Maar Texel was toen ongeveer half zo groot als nu. In 1963 telde Texel ruim 45.000 en in 2014 ruim 25.000 schapen, inclusief lammeren en rammen.

Meekrap
Meekrapwortels worden al ruim 5000 jaar gebruikt voor het rood verven van leer, textiel en hout. Dat gebeurde al in het oude Perzië, India, China en Egypte. Tot halverwege de 19e eeuw was veel rode textiel in Nederland met meekrap geverfd. Ook kunstschilders gebruikten het. Na van de val van het Romeinse Rijk verdween de meekrapteelt uit Europa tot Karel de Grote het promootte. Vanaf die tijd werd het voor in Zeeland geteeld. De grote vraag en het geringe aanbod stonden meestal garant voor een goede prijs. Niet alleen het pigment genoot een ijzersterke reputatie, bij telers nam de faam van meekrap als geldmachine mythische proporties aan. In Zeeland en Vlaanderen ging bij boeren het verhaal dat alle onkosten uit het bedrijf betaald konden worden uit de opbrengst van de meekrap – als alles meezat. Daardoor was de opbrengst van de andere gewassen zuivere winst. Na de inpoldering van Eierland in 1835 werd daar in 1836 begonnen met meekrapteelt. De van de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden afkomstige zetboeren waren van huis uit bekend met die teelt, met de risico's daarvan en met de verschillende meekraprassen. Die hadden allemaal hun sterke en zwakke kanten en hun eigen naam, zoals Taaie Groene en Rijkmakers.
Meekrap was een arbeids- en kapitaalintensief gewas, alleen geschikt voor kapitaalkrachtige boeren die zich gedurende twee of drie jaar een aanzienlijke investering konden veroorloven. Daarnaast kleefden grote risico's aan de teelt: de planten zijn gevoelig voor strenge winters en vragen goede ontwatering. En tenslotte is meekrap zouttolerant en geschikt voor recent bedijkte zeepolders. In de 19e eeuw werd de meekrap met de hand gestekt en uitgeplant, 165.000 stekken op een hectare, op verhoogde bedden. Het gewas had voor 19e eeuwse begrippen veel mest nodig. Vanaf het uitplanten in mei tot de winter moest vaak en met de hand gewied worden. Vlak voor de winter werden met paard en ploeg, mannen en scheppen de meekrapbedden afgedekt met grond om de vorming van nieuwe scheuten te bevorderen. Vanaf het volgende voorjaar tot de herfst werd weer veel gewied en in de tweede herfst kon geoogst worden: de wortels zaten soms 75 cm diep en werden met de hand uitgespit of uitgeploegd. Ze mochten niet beschadigd worden. Daarna werden ze naar een meestoof gebracht voor bewerking. Een deel van de meekrap werd pas in het derde jaar geoogst. Dat verdubbelde de kans op uitvriezen, maar de verwachte meeropbrengst was soms een gok waard. Na de oogst werden de meekrapwortels naar een meestoof gebracht. Daar werden ze eerst opgeslagen. De bewerking startte in een zogenaamde droogtoren, waar ze uitgespreid werden op zolders en gedroogd met warmte van een met turf gestookte oven. Arbeiders dorsten ze vervolgens tot dorsvlegels tot kleine stukjes en verwijderden zand en andere verontreinigingen met zeven en een wanmolen. De schone, gedroogde stukjes meekrapwortel heten racine. De racine werd in het stamphuis van de meestoof en vanaf 1850 in een meekrapfabriek verwerkt tot meekrappoeder. Als dat in het stamphuis van de meestoof gebeurde, werd de racine eerst nagedroogd. In het stamphuis stond een door paarden aangedreven rosmolen, met als belangrijkste delen een koningsspil, een kroonwiel en een rondsel. Daarmee werd een constructie van zware eiken balken aangedreven: de stampers. Die stampten de racine tot meekrappoeder. Bij de twee meestoven op Texel was geen stamphuis. Het waren zogenaamde meedroogstoven.

Vlasverwerking
In de 19e eeuw kwamen boeren van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden in de nieuwe polders op Texel. Zij herïntroduceerden de vlasteelt op Texel. Het vlas werd op het land getrokken, gebost en verscheept naar Zuid-Holland, Zeeland en Vlaanderen ter verdere verwerking. Het verwijderen van de zaadbollen heet repelen. Links op de vloer staat een grote repelkam. Zwaar zaad werd gebruikt als zaaigoed, licht zaad o.a. voor de lijnolie. Bij het roten worden de lijmverbindingen die de vlasvezels verbinden met de houtachtige stengeldelen opgelost. Dauwroten op het land duurt enkele weken, roten in koud stromend water gaat sneller en roten in warm water kost nog minder tijd. Daarna wordt het vlas gedroogd. Bij het braken met een book- of beukhamer of een braakmachine worden de losse houtdelen gebroken en deels verwijderd. Het vlaslint is flexibel en wordt hierbij niet beschadigd. Op de vloer staan twee vlasbraken. Bij het zwingelen worden de resterende houtvezeltjes verwijderd. Dat is een stoffig werk, waarbij veel arbeiders longemfyseem opliepen. Daarna werden de knotten gedraaid en verzameld tot een steen van 2,82 kg. Tenslotte volgde de opmaak: het verwijderen van de laatste ongerechtigheden met een hekel of vlaskam om de losse slierten en knopen te verwijderen. Hier ziet u drie vlakke 19e eeuwse vlashekels en een hekel op een voetstuk. Nu is het vlas klaar om gesponnen te worden. Vervolgens wordt het vlasstro gedroogd. Daarna begint het braken. Daarbij worden handmatig met een bookhamer of machinaal met een brakel, een soort wringer, de houtpijp in de stengel gebroken. Bij het zwingelen worden de houtdeeltjes met een zwingelmolen verwijderd. Bij dit stoffige werk lopen veel arbeiders stoflongen op en overleden op jonge leeftijd. Tenslotte wordt het vlaslint opgemaakt: De topeinden die vaak in de war zitten worden gekamd, gehekeld: over de hekel gehaald, glad en glanzend gestreken van onderen een slag gedraaid en van boven tot een tuitje, een pop samengebonden. Daarna is het vlaslint klaar om gesponnen en tot linnen of lijnwaad geweven te worden. Vlasvezels worden tot 5 cm lang. Ze zijn duurzaam, warmtegeleidend, voelen koel aan en nemen goed vocht op. door de dikke wanden van de vezelcellen is linnen stugger en kreukt sneller dan katoen. Overigens is niet alle linnen vlaslinnen: graslinnen is een katoenweefsel.

Een Texelse narcis, de Dubbele van Sion
Begin 17e eeuw begonnen liefhebbers in Europa een levendige (ruil)handel in narcissen en andere bolgewassen. Vincent Sion was een van hen. Hij was Vlaming, maar woonde in Londen. In 1620 bloeide bij hem voor het eerst een Narcis die hij al jaren koesterde, de Dubbele van Sion. Narcissen in oude tuinen in Engeland en langs de oostkust van de Verenigde Staten zijn vaak Dubbele van Sions. Ze zijn al eeuwen in de handel, ze zijn taai en vermenigvuldigen zich op plakken waar andere narcissen niet kunnen overleven. Vooral op de Texelse zandgrond in en bij de duinen floreert de Dubbele van Sion. Vrijwel alle Sion-bollen die tegenwoordig in de V.S. geïmporteerd worden, komen van Texel. Die Dubbele van Sion werd ook op Texel als iets typisch Texels en als iets bijzonders gezien. Zo werd jaarlijks tussen 1965 en 2005 een Dubbele van Sion uitgereikt aan verenigingen en personen die zich bijzonder verdienstelijk maakten voor de Texelse gemeenschap.

De narcissen in het Cultuurhistorisch Museum Texel in De Waal De wagenmakerij in het Cultuurhistorisch Museum Texel in De Waal

Een bedstee in de stolpboerderij in het Cultuurhistorisch Museum Texel in De Waal

De binnenplaats
Op weg naar de kleine stolp komt u over de binnenplaats. Daar zijn een aantal bezienswaardigheden. U ziet een ouderwetse poepdoos, een houten hok, met daarin een zitplank met een gat en daaronder een emmer. Daar achter staat een originele houten waterpomp. Op de binnenplaats staat ook een stukje van de voor Texel zo kenmerkende tuunwal, de uit graszoden opgebouwde perceelafscheiding. Hier ziet u hoe zo'n tuunwal wordt gebouwd. Tenslotte staat er nog een opslag van iepenhout ten behoeve van de wagenmakerij.

Stolpboerderij
In een authentieke stolpboerderij is te zien hoe agrariërs rond 1900 (en nog lang daarna) op Texel leefden. De stal, het zomerkeukentje in een stalletje (staplaats voor 2 koeien), de wasruimte en de kamer met bedsteden bevonden zich in een, naar onze huidige maatstaven, kleine ruimte. Meer ruimte was er op de deel, die gebruikt werd voor wagenberging en zuivelbereiding. U ziet hier: de wasafdeling met wasschommel, wasketels en wringers, de stal waarin de koeien 2 aan 2 in zogenaamde stalletjes stonden, het hooivak, waarin hooi wordt opgeslagen voor de winter en de zomerkeuken, in een stalletje. In het tweede vertrek ziet u de kamer anno 1900 met 2 bedsteden en in het derde vertrek ziet u diverse boerengereedschappen, een broedmachine om eieren uit te broeden, een kaapstander om het vierkant (de gebinten) van een stolpboerderij te stellen. Let op het dak: aan de binnenkant is riet (vlacht), ter isolatie en om vocht te reguleren, bevestigd; daar boven liggen dakpannen. Op de deel (op zijn Tessels de rijing) staat een lammerenwagen voor het vervoer van lammeren naar de lammerenmarkt en naar de haven. Op de hoek ziet u de zuivelbereiding.

Paardentuigen
In het museum zijn een groot aantal paardentuigen uitgestald. Op Texel waren paarden zeer belangrijk voor de werkzaamheden op het land. Hierover wordt een film vertoond. Daarnaast wordt tegenwoordig op Texel zeer veel aan paardensport gedaan.

Geloven op Texel
Het geloof speelde in de 16e t/m 19e eeuw op Texel een veel grotere rol dan tegenwoordig. Het was bepalend door de belevingswereld van de mensen, het bepaalde hun dag- en weekindeling, hun kalenderfeesten, hun kleding en hun eetpatroon. Denk maar eens aan het vasten, waarbij tot en met de 18e eeuw ongeveer 180 dagen per jaar geen vlees gegeten mocht worden. Denk maar eens aan de overstromingen die vernoemd werden naar de naamdag van de heilige of de naam van het kalenderfeest waarop zo'n ramp plaats vond. Zo kennen we de St. Jeronimusvloed van 30 september 1514, op 1 november 1570 de Allerheiligenvloed en de Sint Pontiaansvloed van 3 mei 1552, waaran op Texel onder andere de voormalige dijkdoorbraken (weeltjes) in het Waalenburgerdijkje herinneren. Denk maar eens aan de Bijbelse taferelen waarmee tot ver in de 19e eeuw de westerse wereld gestoffeerd werd, van beelden en schilderijen tot gebruiksvoorwerpen. In de kleine expositie Geloven op Texel ziet u een schilderij als voorbeeld van de middeleeuwse beeldcultuur. De Statenbijbel was een ijkpunt van de calvinistisch georiënteerde protestantse kerken. De Bijbel aan de wand en in huis zijn voorbeelden van de 17e en 18e eeuwse educatieve beeldcultuur van doopsgezinden, katholieken en gereformeerden. Het doperse wandbord beschouwen we als representatief van de moderne vrijzinnige doopsgezinden en de zouaaf als voorbeeld van het 19e eeuwse rooms-katholieke reveil. De tweetalige prent illustreert de assimilatie van joodse mensen op Texel.

De Bijbel aan de muur
In de 17e tot en met de 19e eeuw werden op Texel veel wandtegels aangebracht. Eerst uit praktische overwegingen als plint en tegen de achtermuur van de stookplaats. Geglazuurde tegels zijn immers makkelijk schoon te maken. Later werd het mode om ze op schouwen, smuigers, als lambrisering en zelfs als complete muurbekleding toe te passen. De wandtegels op Texel zijn afkomstig uit Harlingen en, met uitzondering van de witjes, in blauw of mangaan (paars) beschilderd. Meestal zien we tegels met één voorstelling per tegel, soms met hoekversieringen. Vooral tegels met bloemen, vogels, kinderspelen, fabeldieren of Bijbelse voorstellingen, al dan niet met vermelding van het betreffende Bijbelboek waren op Texel geliefd.

De smederij
Het museum beschikt over een volledig ingerichte historische smederij. De meer dan 100 jaar oude smederij van Paagman stond in Eierland bij de kruising Nieuwlanderweg-Postweg. Toen deze eenmaal was verhuisd naar De Waal was de legendarische Jan Kiljan de eerste smid in het museum. In de smederij brandt het oorspronkelijke smidsvuur waarmee vroeger de ijzeren banden om de wagenwielen werden gekneld en hoefijzers op maat werden gemaakt. Er is een indrukwekkende opstelling van verschillende werktuigen (slijpsteen, zaagmachine, boor en draaibank) die met behulp van lange aandrijfriemen door één elektromotor worden aangedreven. Elke dinsdag- en woensdagmiddag (14.00-16.00 uur) geven de smeden een demonstratie.

De rol van de vrouw in het boerenbedrijf
Texelse boerinnen waren hun gewicht in goud waard: Ze kaasden en maakten boter en verdienden daarmee ongeveer de helft van de inkomsten van de boerderij. Daarnaast mestten ze de varkens vet, voerden kippen en het jongvee, verwerkten in de herfst de slacht en de inmaak, bakten brood en kookten eten, naaiden en verstelden kleding en beddengoed, breiden, hielden de boerderij schoon, witten de muren in het voorjaar en hielpen 's zomers met de hooi-oogst. Tot en met de 19e eeuw overleden vrouwen nog wel eens in het kraambed. Een boer hertrouwde dan zo snel mogelijk, want een huishoudster, toen een meid genoemd, kostte geld en kon de benen nemen. Een goed kazende echtgenote bracht geld op, ze bleef en samen zorgden ze voor nageslacht, dus continuïteit voor het bedrijf.

De kermis in het Cultuurhistorisch Museum Texel in De Waal De Texelse brandweer in het Cultuurhistorisch Museum Texel in De Waal

Kermis
Vanaf de middeleeuwen tot 1902 werd rond Sint Jan een grote markt met kermis gehouden in Den Burg. In die kermisweek was er altijd een scharen- en messenslijper, met een verrijdbare slijpsteen. Vanaf de 18e eeuw kwam een mooi versierde scharensliep en rond 1960 verscheen een Mercedes of BMW met de slijpstenen in de kofferbak. Tijdens de lammermarkten in mei vroegen jongens een meisje voor de kermis. Van buiten Den Burg gingen ze daar met paard en wagen naar toe. Zoenen in het openbaar was toen not-done. Maar als zo'n stel kermisklanten een zwart schaap zagen, was dat een vrijbrief om te kussen: Een Swart skeep! Een Swart skeep! Texelse jongens vroegen vaak een meisje om kermis mee te vieren. Soms leidden die kermisvriendschappen tot queesten, een oud gebruik, al bekend uit de 17e eeuw. Bij die vrijerij sloop een jongen stiekem een huis binnen, kroop bij een meisje in de bedstee, bovenop de dekens. Ondanks die dekens werden toen veel kinderen op Texel binnen negen maanden na de huwelijksdatum geboren. De bruid trouwde dan met de blomme voor de buuk. Ze moet om een buitje, zeiden de Texelaars dan. Dat betekent: ze is in verwachting.

De Texelse brandweer rond 1900
Brandweerlieden droegen vroeger een geverfde stok, de kleurencombinatie daarvan was gebonden aan hun functie bij de brandweer. De brandmeester was te herkennen aan zijn witte stok met een vergulde knop. De onderbrandmeester droeg een witte stok. De stok van de commandeur van de kruiwagenpomp was rood/zwart en voorzien van een oranje knop. Met die stok werd de maat aangegeven voor de pompgasten. De vier pompgasten hadden een rode stok met zwarte letters KP. De commandeur van de perspomp droeg een geel/blauwe stok met oranje knop. Die stok werd ook gebruikt om de maat te stampen. Zijn 32 manschappen hadden een blauw met gele stok met de letters PP.De commandeur van de zuigpomp droeg een blauw/rode stok met oranje knop, zijn 12 manschappen een blauw/rode stok en de 4 manschappen van het malmirum of waterbassin een blauwrode stok met de letter M. De commandeur van de slagenleiders een zwart/gele stok met oranje knop, zijn 16 manschappen een zwarte band met gele letters SL, de 2 lapzakdragers een witte band met zwarte letters LZ. Er waren 3 pijpleiders, 2 reparateurs en 2 lantaarndragers. De commandeur van de brandhaken en de brandzeilen een groen/zwarte stok met gouden knop en zijn 16 manschappen een groene band met zwarte letters BHZ. Tenslotte was er nog de opzichter van de geredde goederen met grijze stok en oranje knop en 6 manschappen, met grijze band en zwarte letter G om de arm. Een opperporder en zijn 2 porders moesten bij brand dit hele gezelschap op de been brengen. Ze gingen in het dorp met ratels en riepen brand! Brand! Tot 1966 was in ieder dorp op Texel een brandweerspuit.

 

Het museum is bijzonder interessant. Als ik alle vijftien delen van de tentoonstelling heb gezien, koop ik voor ik hier vertrek een kop cappuccino. En dan stap ik weer op mijn fiets in de richting van Oudeschild. Ik fiets via de Laagwaalderweg, een lange saaie weg. Onderweg maak ik een korte fotostop, want ik zie kievieten op een stuk land lopen. Hier wordt druk op het land gewerkt. Zie ook de foto's onderweg.

Ik fiets door naar Oudeschild en bij de haven zet mijn fiets neer. Ik loop hier een rondje en bezoek een paar souvenirwinkels.

Ik ga op zoek naar een eetgelegenheid, maar de restaurants in de haven van Oudeschild zijn duur. Ik steek de dijk over en zie het Kaap Skil Museum, waar ik straks naar toe wil, al liggen. Ik lunch in het visrestaurant naast het museum. Ik kies voor een visburger en friet en een cola light.

De haven van Oudeschild Molen de Traanroeier in het Kaap Skil Museum in Oudeschild

Na de lunch loop ik naar het Kaap Skil Museum. Na het betalen van de entree wordt me aangeraden om eerst buiten te kijken, want nu zijn er nog oude ambachten, zoals de touwslagerij te zien. Ik krijg een plattegrond mee. Ik breng, zoals me wordt aangeraden, eerst een bezoek aan de buitenbezienswaardigheden, zoals de molen met alles over het jutten en scheepvaart. Hier worden oude vondsten en oude wrakken getoond.

De tentoonstelling 'Visserstruien II' in het Kaap Skil Museum in Oudeschild Juttersopbrengst in het Kaap Skil Museum in Oudeschild

In het winkeltje in het Kaap Skil Museum in Oudeschild De smederij in het Kaap Skil Museum in Oudeschild Touwslagendemonstratie in het Kaap Skil Museum in Oudeschild

De maquette van de Reede van Texel in het Kaap Skil Museum in Oudeschild

Er is een gebouw met vondsten van het jutten, zoals heel veel plastic bakken, een hele glasverzameling, netten en wat al niet meer zij. Er is op het moment dat ik er ben een tentoonstelling van visserstruien uit heel Nederland. Elke vissersplaats heeft zijn eigen patroon. Er is een demonstratie touwslagen aan de gang. Hier neem ik een kijkje. Leuk om te zien hoe je bijv. je eigen springtouw kunt maken. Er zijn oude woningen, zoals een winkeltje en een oud timmermanshuisje met ook hier de toiletpot buiten, binnen is het timmermanshuisje ingericht met een woonkamer en bedstede. In het winkeltje is ingericht zoals vroeger, met een oude weegschaal en een hele oude houtoven voor broodbakken. Eén van de huisjes wordt op dat moment gerestaureerd en daar kan ik dus niet naar binnen. Er is hier ook weer een smederij te bekijken. Het is een schitterend museum, niet groot maar wel leerzaam. Ik loop naar binnen om de benedenzaal te bezichtigen. Hier is een maquette van 18 bij 3 meter met Oudeschild en De Reede van Texel te zien. Hier zie je scheepsminiaturen en informatie over zeevaarders als Maarten Tromp en Michiel De Ruyter. Ik neem boven ook nog een kijkje maar dat vind ik minder interessant. Hier zijn gevonden voorwerpen uit scheepswrakken te zien.

Ik loop weer naar buiten naar de haven. In de haven loop ik nog een rondje en ga dan terug naar mijn fiets.

In het museum heb ik al gevraagd waar het zeemanskerkje van Oudeschild te vinden is. Het wordt daar een beetje moeilijk uitgelegd, maar ik vind dit kerkje met een beetje omfietsen wel. Vraag me niet hoe ik gefietst ben, want dat was zeker niet de kortste route. Onderweg maak ik nog een korte stop bij een weiland met schapen. Als ik het kerkje gevonden heb, blijkt het kerkje helaas gesloten te zijn. Ik fiets terug naar De Koog. Via dezelfde weg als ik gekomen ben, fiets ik tot De Waal en daar volg ik borden naar De Koog. Ik kom nu uit op de weg die ik vanochtend ook had willen nemen. Ik kom uiteindelijk bij afslag 15 naar De Koog uit.

Ik ben moe. Terug in mijn kamer moet ik eerst even rustig zitten. Na het douchen ruim ik mijn spullen op en maak me klaar om naar buiten te gaan, want ik wil ergens iets eten. Ik voel me weer een stuk beter. Ik eet vanavond bij Restaurant Hatim in de Dorpstraat. Dit restaurant heeft een leuke prijs voor zalmfilet en friet. Dit is mijn diner voor deze avond samen met een flesje sprite. Ik heb twee stukken zalm, een grote portie friet en een heerlijke saus. De salade stelt echter niets voor. Het is erg druk in het restaurant en ondanks de drukte zijn de medewerkers snel met de bediening.

Na het afrekenen loop ik terug naar het hotel en loop door naar mijn kamer. Op bed type ik dit reisverslag en ruim ik mijn spullen verder op. Mijn trolleykoffer moet ingepakt worden, want morgen is het al weer vertrekdag. Daarna maak ik me klaar voor de nacht en ga ik lekker slapen. Om 22. 15 uur gaat het licht uit.

Het weer: licht bewolktlicht bewolkt en ± 21° C


 


Volg JTravel op Facebook, Instagram, Twitter, Pinterest en Bloglovin’.

 

Bewaar op Pinterest


Op dag 5 van mijn verblijf op Texel bezoek ik het Kaap Skil Museum in Oudeschild en het Cultuurhistorisch Museum Texel in De Waal en maak ik in zowel Oudeschild en De Waal een wandeling door het dorp. Alles over de vijfde dag van mijn verblijf op Texel lees je hier. Lees je mee? #texel #nederland #reisverslag #kaapskilmuseum #museumkaart #museum #oudeschild #dewaal #cultuurhistorischmuseumtexel #jtravel #jtravelblog

 

Deel dit artikel

Reacties mogelijk gemaakt door CComment