Header Thailand / Copyright © JTravel.nl

 

 

Informatie Thailand

 

Thailand is een koninkrijk en het geografische hart van Zuidoost-Azië. Bij de Gouden Driehoek, in het uiterste noorden van Thailand ontmoeten de grenzen van Thailand, Laos en Myanmar (Birma) elkaar. De grens met Myanmar gaat via het westen zuidwaarts tot aan het Maleisische schiereiland, waarvan een gedeelte bij Thailand hoort. In het oosten volgt de grens met Laos de Mekong Rivier tot deze Cambodja bereikt. In het zuiden wordt het Thailand omringd door de Golf van Thailand. Thailand is ongeveer zo groot als Frankrijk. Tot 1949 was het land bekend onder de naam Siam. De Thaise naam van het land is Prathet Thai, waarbij Prathet land betekent en het woord Thai vrij betekent. Thailand betekent dus letterlijk vrij land. De bevolking van Thailand telt ruim 65 miljoen inwoners. Meer dan één derde van alle Thai leeft in stedelijke gebieden, zoals Bangkok met 8 miljoen inwoners.

Plattegrond Thailand

 

Geschiedenis
Thailand betekent 'land van de vrijen'. Gedurende zijn 800-jarige geschiedenis is Thailand het enige land in Zuidoost-Azië dat nooit is gekolonialiseerd.

De geschiedenis van Thailand kent vijf belangrijke periodes:
Nanchao periode (650-1250)
Sukhothai Periode (1238-1378)
Ayutthaya Periode (1350-1767)
Thon Buri Periode (1767-1772)
Rattanakosin Periode (1782 - heden)

De Mekong-riviervallei en het Khorat-plateau in Noordoost-Thailand en delen van Cambodja en Laos waren zeer waarschijnlijk meer dan 10.000 jaar geleden al bewoond. Over de oudste geschiedenis van Thailand is verder weinig bekend. Bij Mae Hong Song en bij Kanchanaburi zijn landbouwwerktuigen van rond het jaar 3.500 voor Christus aangetroffen. Ook is er aardewerk gevonden dat ongeveer 5.000 jaar oud is. Het is onbekend van welk volk het aardewerk afkomstig is. Het gevonden grondplan van een dorp dat meer dan 5000 jaar oud zou moeten zijn, zou daarmee een van de oudste beschavingen ter wereld zijn geweest.

De oudste bekende bewoners van het huidige Thaise grondgebied zijn de Mon. Er wordt aangenomen dat dit volk vele eeuwen voor Christus uit Centraal-Azië via de grote rivieren afzakte naar het zuiden van Myanmar (vroeger Birma) en daarna Thailand binnentrokken. De Mon waren sterk beïnvloed door Indiase culturen. Bekend is dat de Mon van de 5e tot de 7e eeuw koninkrijkjes hadden die Dvavarati genoemd werden. De hoofdstad was toen Nakom Pathom. Deze stad lag niet ver van de huidige hoofdstad van Thailand, Bangkok. De Mon vermengden zich met de Thai, die in de 13e eeuw in het noorden van Thailand verschenen. De Khmer uit Cambodja heersten bijna vier eeuwen over Thailand, met als bekendste koning Jayavarman II (790-850). In 1001 kwam Suryavarman uit Maleisië aan de macht, en in deze tijd werden er veel prachtige gebouwen gebouwd. Een vermeend Thai-koninkrijk uit 568 viel enkele eeuwen later al in handen van de Khmer. Na de dood van koning Chieng Saen (ook wel Prohm genaamd) in 1177, werd het gebied ingenomen door de Khmer, die toen echter al niet meer zoveel macht hadden in dit gebied.

De Thai kwamen in de 13e eeuw, maar misschien al veel eerder, vanuit de huidige Chinese provincie Yunnan Thailand binnen. Ze hadden in Yunnan het koninkrijk Nanchao gesticht, maar werden verdreven door de Chinezen, trokken weer zuidwaarts en vestigden zich opnieuw in Thailand. De Thai splitsten zich in drie groepen, en een van deze groepen trok naar de vallei van de Maenam Chao Praya. Een andere versie van het verhaal is dat de Thai op de vlucht waren geslagen door de expansiedrift van de Mongoolse keizer Kublai Khan. Twee Thai-prinsen maakten zich in 1238 los van de Khmer-overheersing door het garnizoen van Sukhothai te overvallen. Khun Bang Tao werd tot koning uitgeroepen en kreeg de naam Sri Intratit. Khun Bang Tao werd opgevolgd door zijn tweede zoon, die zijn broer Ramkamhaeng aanstelde als plaatsvervangend koning over Jalieng. Ramkamhaeng was een groot strateeg en hij veroverde al snel grote delen van Birma (nu Myanmar), Laos en het zuiden van Thailand tot in Maleisië. Hij was naast een goede militair ook bestuurlijk zeer vooruitstrevend. Zo voerde hij een administratie in en gaf het land een eigen taal. Ook zorgde hij ervoor dat het Theravada-boeddhisme uit Ceylon geïntroduceerd werd. Vanaf 1279 regeerde in China Kublai Khan, en hij was van plan Birma te veroveren, maar wilde tevens Ramkamhaeng niet voor het hoofd stoten gezien zijn goede reputatie als krijgsheer. Hij wilde zelfs een verbond sluiten, maar die missie mislukte door domme pech. Daarop startte Ramhamkaeng een diplomatiek offensief richting China wat ertoe leidde dat de relatie met China zeer hecht werd. En dat was weer goed voor de Thai in hun strijd tegen de Khmer. In dezelfde tijd, eind 13e eeuw, stichtte koning Mengrai in het noorden het koninkrijk Lanna, dat precies grensde aan het gebied van Ramhamkaeng. De twee koningen lieten elkaar echter met rust. Mengrai leverde vele succesvolle veldslagen en wist daardoor zijn rijk uit te breiden en oorlogvoerende vorstendommen te verenigen. In 1281 overwon hij de Mon te Hariphunchai en in 1292 verplaatste hij de hoofdstad naar Chiang Mai.

Na de dood van Ramhamkaeng in 1300 raakte het Sukhothai-rijk in verval. Koning Ramatibodi (eigenlijke naam was U Thong) maakte in de eerste helft van de 14e eeuw Ayutthaya tot hoofdstad en benoemde zijn zoon tot gouverneur van het Lopburi-rijk, dat grensde aan het koninkrijk Sukhothai. Ramatibodi regeerde van 1350 tot 1369 en was een totaal andere heerser dan Ramhamkaeng, die voor de ‘gewone’ man zeer toegankelijk was. Ramatibodi was juist onbenaderbaar en voerde onder krijgsgevangenen de slavernij in, die tot in de 20e eeuw zou voortduren. De eerste tweehonderd jaar van het koninkrijk Ayutthaya waren erg belangrijk. In deze periode werd er een samenleving gemaakt die ‘gebukt’ ging onder vrij strakke regels en gewoontes. De Thai vielen ook voortdurend de Khmer aan en in 1393 trokken ze Cambodja binnen onder leiding van koning Ramesuan. Het Cambodjaanse leger werd verslagen en er werd voor eens en altijd met de Khmer afgerekend. Aan de andere kant van het Ayutthaya-rijk waren er voortdurend problemen met de Birmezen. Sukhothai werd in 1378 veroverd door de Birmaanse koning Boromaraja. Deze koning trachtte ook het koninkrijk Lanna te veroveren, maar dat mislukte. In de 16e eeuw vielen de Birmezen wederom aan en veroverden nu het prinsdom Chiang Mai, waar een Thaise prins als bestuurder werd aangesteld. Ayutthaya werd een Birmaanse provincie en het hele gebied stond vanaf 1569 onder heerschappij van koning Maha Tammarajatiat. Een zoon van hem, prins Naresuan, was er alles aan gelegen om de Thai van de Birmanen te bevrijden. Hij wist hiertoe een leger bij elkaar te krijgen en wist de Birmaanse kroonprins te verslaan bij de slag bij Nong Sa Rai, waardoor de macht van Ayutthaya weer hersteld werd. Zijn broer Ekatotsarot werd in 1605 koning en onder zijn bewind mochten de Hollanders zich in Ayutthaya vestigen.

In 1511 arriveerden de Portugezen voor de zuidkust van Thailand, bij de havenplaats Pattani. De Portugese onderkoning Albuquerque stuurde in dat jaar vanuit Goa in India een afgezant naar de hoofdstad van Thailand. In 1608 kregen de Hollanders toestemming om zich te vestigen in Pattani, en aldaar een handelspost in te richten. De Verenigde Oost-Indische Compagnie had op dat moment haar hoofdkantoor op Java in Batavia. Hier vond de overslag van goederen plaats en van daaruit werden ze verder vervoerd naar Ayutthaya en Japan. Een jaar later vertrok de eerste Thaise missie naar Europa, en deed als eerste Holland aan. In de eerste helft van de 17e eeuw kwamen er nog meer Europeanen naar Thailand: de Engelsen in 1612, de Denen in 1621 en de Fransen tijdens het bewind van koning Narai (1657-1688). De betrekkingen tussen de Fransen en de Thai waren erg goed te noemen, maar dat veranderde na de dood van Narai in 1688. Het gevaar ontstond voor een volkomen Franse dominantie, die slechts werd verhinderd door het nationalistische verzet. Na de dood van Narai (1689) besteeg de leider daarvan, Phra Petraja, de troon. Ondertussen was Ayutthaya al weer over haar hoogtepunt heen en de hardnekkige Birmezen bleven het koninkrijk aanvallen. De Birmese koning Mangra veroverde eerst Chiang Mai en rukte daarna op naar Ayutthaya, waar de hoofdstad in april 1767 in Birmese handen viel en totaal verwoest werd. In november 1767 werden de Birmezen echter alweer uit Ayutthaya verjaagd door generaal Taksin, die eerder al de steden Chantaburi en Thonburi had ingenomen met een zelf samengesteld leger. Hij vestigde zich in het beter verdedigbare Thonburi waar hij tot koning gekroond werd. Het lukte Taksin om alle afvallige prinsdommen te verenigen en in 1776 kwam de stad Chiang Mai zelfs in het bezit van de koning. Taksin bleek echter geen echte leider. Hij verwaarloosde zijn administratieve plichten, werd steeds hardvochtiger en werd geleidelijk aan krankzinnig. In 1782 werd Taksin vermoord.

De nieuwe vorst werd zijn proconsul in Khmer, Phya Chakri, die als Rama I de troon besteeg en deze dynastie heerst nog steeds in Thailand (op dit moment Bhumipol Adulyadey ofwel Rama IX). In 1782 verplaatste Rama I de hoofdstad over de rivier heen naar het eiland Rattanakosin in het huidige Bangkok en beveiligde de stad tegen de nog steeds agressieve Birmezen. Daarna begon hij de grandeur van de Thaise kunst en architectuur te herstellen en ook zijn opvolgers gingen door met de wederopbouw van de Thaise beschaving. De 19e eeuw zou zeer belangrijk worden voor de ontwikkeling van Thailand. De Europeanen en Amerikanen hadden op dat moment een grote invloed in Azië en de progressieve koningen Mongkut (Rama IV) en Chulalongkorn ( Rama V) beseften dat Thailand mee moest in de vaart der volkeren. Buitenlandse mogendheden mochten handel gaan drijven met Thailand en er werden deskundigen en adviseurs uit Europa en Amerika gehaald om Thailand verder te ontwikkelen. In deze tijd werd de nadruk gelegd op het onderwijs en de infrastructuur maar ook de immigratie van Chinezen, die geleidelijk in handel en ambacht gingen overheersen, nam sterk toe. De regeringen van Rama I (1782-1809) en Rama II (1809-1824) werden tevens beheerst door Thailands pogingen Khmer en Laos te overheersen. Vooral Vietnam was hierbij Thailands tegenspeler. In 1845 werd Khmer onder gemeenschappelijke Thais-Vietnamese suzereiniteit gesteld.

De aan malaria overleden Mongkut (Rama IV) werd opgevolgd door zijn zoon Chulalongkorn (Rama V, 1868-1910), en die zou de grootste koning van Thailand ooit worden. Hij wordt ook gezien als de grondlegger van de moderne staat Thailand. Zo stuurde hij veel van zijn kinderen naar het Westen om daar te gaan studeren en hijzelf legde vele contacten met buitenlandse machthebbers. Hierdoor is Thailand waarschijnlijk ook nooit overheerst door buitenlandse mogendheden. In de 42 jaar dat Chulalongkorn regeerde werd er veel bereikt: de slavernij werd in 1905 officieel afgeschaft. In 1897 werd de eerste spoorlijn geopend, de stad Bangkok werd flink uitgebreid en er werden kanalen en irrigatiewerken aangelegd voor de rijstbouw. Thailand was op dat moment groter dan het nu was; het noordelijke deel van Maleisië en een stuk van Cambodja hoorden er ook nog bij. De immigratie van Chinezen, die geleidelijk in handel en ambacht gingen overheersen, nam toe. In 1893, na een Franse vlootdemonstratie, stond Thailand zijn gebied ten oosten van de Mekong aan Frankrijk af. In 1904 kreeg Frankrijk de soevereiniteit over Luang Prabang en in 1907 die over de Cambodjaanse provincies Siem Reap en Battambang. In ruil hiervoor stond het in feite de extraterritorialiteit af, iets wat Engeland in 1909 deed, toen het de suzereiniteit over vier staten in Noord-Malakka verwierf. De moderniseringen werden voortgezet onder Vajiravudh (Rama VI) en Prajadhipok (Rama VII). Tijdens het bestuur van Vajiravudh vond de eerste poging plaats om de absolute monarchie omver te werpen, door het Thaise leger in 1912. Daarna zouden militaire coups het 20e eeuwse politieke strijdtoneel kenmerken.

Onder het bewind van Prajadhipok (1925-1935) brak de wereldwijde economische crisis van de jaren dertig uit die ook Thailand trof. Hoge ambtenaren, die vaak in het buitenland gestudeerd hadden, waren zeer ontevreden over de gang van zaken in Thailand en dat leidde tot een staatsgreep in 1932. De staatsgreep, door een groep democratisch ingestelde studenten met behulp van het leger, gebeurde zonder bloedvergieten en op 10 december 1932 tekende de koning de eerste grondwet en kwam er een einde aan de absolute monarchie die werd vervangen door een constitutionele. Het vorstenhuis kreeg vanaf die tijd alleen nog een ceremoniële rol in staatszaken toebedeeld. In 1933 probeerde een groep sympathiserende royalisten via een staatsgreep vergeefs de absolute monarchie te herstellen. Hierna vertrok de koning naar het buitenland en zou daar ook blijven en in 1935 officieel aftreden. Hij had geen opvolger aangewezen, dus moest er grondwettelijk een nieuwe koning benoemd worden. De tienjarige Anada Mahidol, die in Zwitserland woonde, werd benoemd als de nieuwe koning Rama VIII. Ananda keerde pas in 1945 terug naar Thailand, maar werd een jaar later al vermoord. Pas in 1950 werd er weer een nieuwe koning ingehuldigd: Bhumipol of Rama IX, de kleinzoon van de befaamde koning Chulalongkorn.

In 1938 was de nationalistische generaal Pibul (Phibun Songkhram) premier van het land geworden en hij bleef met wat intervallen tot na de Tweede Wereldoorlog aan de macht. Hij was het die in 1939 de naam Siam veranderde in Thailand en de Japanners een vrije doortocht gaf tijdens de Tweede Wereldoorlog. Op 8-12-1941 bestormden de Japanners op negen plekken Thailand, voornamelijk langs de oostkust. Phibun gaf al snel het bevel tot een staakt het vuren. Intussen zonden de Britten troepen vanuit Maleisië om de Japanners bij Songkhla te stoppen maar die werden opgehouden door een gevecht met de Thaise grenswacht. De Japanners hadden op deze manier alle tijd om hun positie te verstevigen en zakten het schiereiland af om ook Singapore in te nemen. Japan werd zeer door Phibun bewonderd en ging in 1942 een alliantie aan met Japan en het was dan ook niet vreemd dat Thailand in 1942 de oorlog verklaarde aan Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. In ruil daarvoor kreeg Thailand van Japan gebieden in Birma en Cambodja terug die het had moeten afstaan aan Frankrijk en Engeland. Hij ondernam ook pogingen het economische leven te 'thaiseren', dat wil zeggen de Chinezen te elimineren. De Thaise minister in Washington, Seni Pramoj, weigerde een oorlogsverklaring tegen de VS af te geven en begon in samenwerking met de Amerikanen met het organiseren van een verzetsbeweging Seri Thai genaamd. Pridi coördineerde stiekem deze beweging onder de neus van de bezettende Japanners, smokkelde Amerikaanse agenten binnen en bracht ze onder in een Europees gevangeniskamp in Bangkok. In 1944 leek een definitieve nederlaag van de Japanners aannemelijk en werd Pibul aan de kant geschoven en opgevolgd door Seni Pramoj. In 1946 werd Pridi Phanomyong premier, maar hij werd in 1947 na een staatsgreep alweer afgezet. Hij werd opgevolgd door Pibul, die tot 1948 aan de macht bleef en onder andere op het gebied van het onderwijs vooruitgang boekte, maar aan de andere kant ook de grondwet buiten werking stelde. Hij was een verklaarde anticommunist en speelde daarbij in op het Amerikaanse en Franse beleid in Zuidoost-Azië. In het Korea-conflict werden Thaise eenheden naar het slagveld gestuurd. In zijn binnenlandse politiek had hij weinig succes. Pibul was niet in staat leger en politie in toom te houden. In september 1957 schoof het leger onder Sarit Thanarat Pibul door een coup opzij en via een zesjarenplan wist hij op allerlei terrein vooruitgang te boeken. De industrie ontwikkelde zich, buitenlandse investeerders werden aangetrokken en het verplichte onderwijs werd verhoogd van vier naar zeven jaar. Ook werden er universiteiten en hogescholen door het hele land opgericht om de hoofdstad Bangkok te ontlasten. De infrastructuur werd grondig aangepakt met de bouw van stuwdammen, waterkrachtcentrale en de aanleg van wegen. In 1958 ondernam Sarit 'een tegen hem zelf gerichte coup'. Hij schafte de grondwet af en trad nu zelf als premier op. Hij zou zijn plannen echter niet afmaken want in december 1963 overleed hij. Na zijn dood werd maarschalk Thanom Kittikatsjorn premier bijgestaan door premie generaal Prahas. Hun grootste probleem was het oplaaien van de vijandelijkheden tussen Noord- en Zuid-Vietnam, die uitmondden in de Vietnamoorlog. Laos en Cambodja raakten betrokken bij het communistische Noord-Vietnam, omdat de Vietcong veelvuldig gebruik maakte van een route door Zuid-Laos en Noordoost-Cambodja om aan te vallen en voorraden te vervoeren. De Thai begonnen met hulp van de VS geheime militaire operaties uit te voeren in Laos, waarop Noord-Vietnam en China reageerden met het steunen van een opstand tegen de regering in Thailand. In de buitenlandse politiek bleef Thailand de Verenigde Staten steunen betreffende Vietnam, onder meer door het beschikbaar stellen van luchtmachtbases en door deelname van Thaise troepen aan de operaties in Vietnam. De ontwikkelingen in Vietnam en in Laos en Cambodja deden de Thaise regering besluiten lid te worden van de ASEAN. Hoe meer de Thai zich bedreigd voelden door het communisme, hoe meer ze zich tot de Amerikanen wendden, in 1968 bevonden zich ongeveer 45.000 VS militairen op Thaise bodem. Thailand werd basis voor bombardementen door de VS op Noord-Vietnam en Laos en voor geheime acties in Laos en verder. De Amerikaanse aanwezigheid in Thailand had vergaande gevolgen. De economie barstte van de dollars en honderdduizenden Thai vertrouwden voor hun inkomen op de Amerikanen met een groei van corruptie en prostitutie tot gevolg. Daarbij leidde de plotselinge blootstelling aan de westerse cultuur ertoe dat velen gingen twijfelen aan traditionele Thaise waarden en de politieke status-quo. Arme boeren accepteerden hun lot niet langer en begonnen zich in de jaren zestig te verzetten tegen de regering in Bangkok. In 1968 kondigde Kittikatsjorn een nieuwe grondwet af, in 1969 werd de parlementaire democratie geïntroduceerd.

In november 1971 echter werd de grondwet weer afgeschaft. Als motieven werden opgegeven het terrorisme in verschillende provincies, acties van studenten en boeren en de twijfelachtige loyaliteit van de drie miljoen Chinezen. In oktober 1973 leidde dat in hevige rellen en vechtpartijen aan de Thammarat-universiteit. Er vielen tientallen doden en honderden gewonden en verschillende overheidsgebouwen werden in brand gestoken. De leiders van dat moment vluchtten naar het buitenland en de koning benoemde de rector van de universiteit, Dharmasakdi, tot premier. Er werd een nationale conventie in het leven geroepen waarin 2.347 mannen en vrouwen zitting konden nemen. Geheel volgens Thaise traditie zaten in de nieuwe regering ministers die in het weggestuurde kabinet hadden gezeten en men keek er ook niet van op dat de gevluchte leiders na verloop van tijd weer gewoon terugkeerden naar Thailand. Er werden verkiezingen uitgeroepen na het aftreden van Dharmasakdi, die gewonnen werden door Sani Pramoj. Het vertrouwen van het Huis van Afgevaardigden kreeg hij echter niet, waarna zijn broer Kukrit Pramoj de nieuwe regeringsleider werd. De periode dat hij aan de macht was kenmerkte zich door meer vrijheid en de poging om de welvaart van de allerarmsten te verbeteren. Ook wilde hij, net als de studenten, de Amerikanen het land uit hebben na afloop van de Vietnam-oorlog, maar de Amerikanen waren te belangrijk voor de economie dus die poging mislukte. Ook de betrekkingen met China en andere buurlanden werden in deze periode steeds hechter. In 1976 braken er opnieuw onlusten uit en het leger greep weer de macht een conservatief als premier. De communisten werden als schuldigen van de onrust gezien en velen werden gearresteerd. De premier werd in 1977 alweer afgezet. Daarna werden de betrekkingen met vooral China en Cambodja nog sterker aangehaald, maar ook het buitenlandse beleid naar het westen toe werd steeds belangrijker. De verhouding met Cambodja liep een deuk op door de vele vluchtelingen na de bezetting van Cambodja door Vietnam. Ook in Myanmar (Birma) zorgden binnenlandse problemen ervoor dat vele mensen vluchtten naar buurland Thailand. In 1979 werden er weer vrije verkiezingen gehouden en de nieuwe premier was een opperbevelhebber van het leger. Ook hij raakte echter in de problemen en vluchtte naar het noordoosten, maar werd weer teruggehaald door koning Bhumibol, die daarmee aantoonde meer dan alleen een ceremoniële functie te hebben.

In de jaren die volgden, vonden er meerdere staatsgrepen door het leger plaats. Een diplomaat-zakenman werd gekozen als waarnemend premier, maar een jaar later nam hij zelf dat ambt op zich en trad als dictator op. Opnieuw werd het democratiseringsproces in Thailand teruggedraaid. Grote demonstraties onder aanvoering van een oppositieleider eindigden in mei 1992 tot hevige onlusten in de hoofdstad Bangkok. Na bemiddeling van koning Bhumibol moest de premier aftreden en werd er een nieuwe interim-premier benoemd. In de jaren tachtig waren er grensincidenten met Laotiaanse/Vietnamese troepen. Met Laos werd in 1988 een wapenstilstand overeengekomen, waardoor de betrekkingen aanzienlijk verbeterden. Het streven van Thailand een einde te maken aan de aanwezigheid van Vietnamese troepen in Cambodja werd, aanvankelijk door middel van (militaire) hulp aan het Cambodjaanse verzet maar later door diplomatieke bemiddeling, uiteindelijk beloond met het Vredesakkoord van Cambodja van oktober 1991. Hiermee kwam de terugkeer van tienduizenden Cambodjaanse vluchtelingen naar hun vaderland dichterbij. Bij de vervroegde parlementsverkiezingen van juli 1995 werd de Chart Thai Partij (CTP) de grootste, net voor de Democratische Partij van de afgetreden premier. De CTP-leider vormde een regeringscoalitie, bestaande uit de voormalige oppositie, de PDP en de eind 1994 uit de regering gestapte Partij van de Nieuwe Aspiraties (NAP). In september 1996 moest de CTP-leider echter al aftreden, nadat gebleken was dat hij zijn verkiezingcampagne had gefinancierd met verduisterd geld, als zoon van Chinese immigranten op onjuiste wijze de Thaise nationaliteit had verworven, over vervalste onderwijspapieren beschikte en zijn afstudeerscriptie op plagiaat was gebaseerd. Er kwamen nieuwe verkiezingen. De nieuwe regering had een ongelukkige hand in de pogingen de oververhitte economie te saneren en het vertrouwen van buitenlandse investeerders te winnen. Hij wist een ernstige economische crisis in juli 1997 niet te voorkomen, maar behalve monetaire en economische factoren speelde de politieke instabiliteit van het land een rol bij de Thaise ineenstorting van de economie. In september 1997 werd een nieuwe grondwet aangenomen, die een eind probeert te maken aan een lange traditie van politieke omkoopbaarheid. Er kwamen opnieuw verkiezingen. De nieuwe regering concentreerde zich op financiële hervormingen en het aantrekken van buitenlandse ondernemingen. De wetsvoorstellen om buitenlandse investeerders meer garanties en een grotere flexibiliteit te bieden, leidden eind 1998 tot scherpe politieke tegenstellingen. De oppositie en vele anderen verweten de regering 'de natie te verkopen'. In het algemeen werd de positie van de regering echter niet bedreigd. Door de toenemende invloed van de pers en publieke opinie kwam een groot aantal corruptieschandalen aan het licht. Ministers moesten vertrekken na beschuldigingen van verkwisting van overheidsgeld. Ook verloren enkele parlementsleden hun zetel nadat was aangetoond dat ze stemmen hadden gekocht. In 1999 loofde het Internationaal Monetair Fonds de hervormingsdrang van de regering en trok de economie weer aan.

In 2001 werden de verkiezingen gewonnen door de Democratische Partij van Thaksin Shinawatra. De nationalistische partij van premier Thaksin, Thai Rak Thai (‘Thai houden van Thai’) had door fusies met andere partijen een grote meerderheid in het parlement. Bij gevechten tussen het Thaise leger en rebellen in het islamitische zuiden werden in april 2004 minstens 74 opstandelingen gedood. Een van hen droeg een t-shirt met een Arabische tekst en de letters JL. Dat was mogelijk een verwijzing naar Jemaah Islamiah, een moslimextremistische groep in Zuidoost-Azië die banden heeft met al-Qaeda en werd verdacht van bomaanslagen op Bali in 2002. De regering beschuldigde de militante moslims van een geweldsgolf die al in januari 2004 begon. Daarbij waren al zestig doden gevallen. Er was vrees voor een terugkeer van islamitisch separatisme in het zuiden van Thailand, dat gesteund zou kunnen worden door internationale netwerken. Premier Thaksin zei echter dat de opstandelingen ‘jongeren uit de zuidelijke provincies’ waren die ‘geen banden hebben met internationale terroristen. Op tweede kerstdag in 2004 werden veel landen in het zuiden van Azië getroffen door een tsunami, een enorme natuurramp, waaronder Thailand. Er deed zich een zeebeving voor die een kracht van 9,0 op de schaal van Richter had. Het epicentrum van de beving lag voor de westkust van Sumatra, ter hoogte van de provincie Atjeh. De beving veroorzaakte een muur van water die over de kust van Thailand en veel andere landen spoelde. De golven van deze zogenaamde tsunami bereikten op sommige plaatsen een hoogte van tien meter. In totaal vielen er meer dan 140.000 doden, waaronder meer dan 5.200 in Thailand. Onder de doden in Thailand waren veel buitenlandse toeristen. De president kreeg in de loop van de jaren steeds meer kritiek en werd beschuldigd van machtsmisbruik en corruptie. Op 19 september 2006, terwijl premier Thaksin de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York bijwoonde, pleegde het leger een staatsgreep. Begin oktober werd de voormalige Thaise legerleider door koning Bhumibol beëdigd als de nieuwe premier van Thailand. Tegelijkertijd stemde Bhumibol in met een interim-grondwet die per direct in werking trad. De militaire junta van de couppleger kreeg daardoor grote bevoegdheden tot de parlementsverkiezingen van 2007. De junta beloofde binnen een jaar een nieuwe grondwet te zullen opstellen en verkiezingen te zullen houden, waarna de macht overgedragen zou worden aan een democratisch gekozen regering. De nieuwe premier had herhaaldelijk laten weten zich te willen houden aan dit tijdpad. Er bleef zorg over de grote rol van de junta in dit hele proces, en over de lange periode, tot oktober 2007, die daarvoor was uitgetrokken. Bovendien leek binnen de strijdkrachten sprake van onenigheid over het optreden van de regering, dat zijn weerklank vond binnen de junta, en waren er spanningen tussen junta en regering. In december 2007 werd een belangrijke stap gezet richting terugkeer van een burgerlijk bestuur. De militaire junta beloofde verkiezingen op basis van een nieuwe grondwet, uiterlijk in oktober 2007. Op 23 december 2007 werden de, door de interim-regering georganiseerde, verkiezingen gewonnen door de People's Power Party (Partij van de Volksmacht), die wordt beschouwd als opvolger van Thaksins ontbonden partij Thai Rak Thai. Sinds april 2010 houden "roodhemden", aanhangers van de National United Front of Democracy Against Dictatorship, enkele wijken van Bangkok bezet, en probeert het leger hen met geweld te verdrijven.

Koning Bhumibol en koningin Sirikit

Koninkrijk
Sinds 1932 is Thailand een constitutionele monarchie. Het koningschap speelt een belangrijke rol. De koning is het staatshoofd en de bevelhebber van de Thaise strijdkrachten. Hij bemoeit zich praktisch nooit met de dagelijkse politieke aangelegenheden, maar de regering kan geen besluiten nemen die tegen de koning gekeerd zijn. De huidige koning is Bhumibol. Hij is geboren in 1927. Bhumibol is de langst regerende koning in de geschiedenis van Thailand. Sinds 1950 zit hij op de Thaise troon. Koning Bhumibol is getrouwd met koningin Sirikit. Zij hebben vier kinderen. Kritiek op of laatdunkende opmerkingen over de Koninklijke familie worden absoluut niet getolereerd, zeker niet van buitenlandse toeristen. De liefde en bewondering voor het koningshuis is overal merkbaar: langs de wegen, voor en in grotere gebouwen, maar ook in (bijna) alle woonhuizen en winkeltjes vindt u portretten van de koning en/of koningin. Iedere ochtend om 8 uur en 's avonds om 18.00 uur wordt in overheidsgebouwen, op radio en tv, op scholen en in bus- en treinstations het volkslied gespeeld. Iedereen staat op of staat stil. De gezondheid van de koning is broos, sinds 2009 verblijft hij in het ziekenhuis.

 

Vlag Vlag van Thailand
De Thaise vlag bestaat uit drie kleuren: rood, wit en blauw. Deze kleuren staan voor de '3 steunpilaren van de samenleving':
- de rode kleur symboliseert het land en zijn bevolking
- de witte kleur symboliseert de reinheid van het Boeddhisme
- de blauwe kleur staat voor de monarchie die de bindende kracht vormt tussen het Boeddhisme en de bevolking

Bevolking
De huidige bevolking bestaat voor ongeveer 80% uit Thai. De belangrijkste minderheidsgroep wordt gevormd door de ongeveer zes miljoen Chinezen. Ongeveer 4% van de bevolking zijn Maleisiërs, zij wonen in het zuiden van Thailand. In Zuid-Thailand leven nog enkele kleine bevolkingsgroepen, zoals de Ngo’s en de Chao Lae ('mensen van de zee') of Chanam, die ook wel bekend staan als zeezigeuners. Thailand telde enkele honderdduizenden vluchtelingen uit Cambodja, Vietnam en Laos. Zij waren uit hun land gevlucht als gevolg van oorlogen en onderdrukkende regimes. In 1992 en 1993 keerden de Cambodjaanse vluchtelingen onder begeleiding van de Verenigde Naties naar hun land terug. Langs de 2.500 km lange grens met Myanmar (vroegere Birma) bevinden zich ruim 100.000 tot de Birmese etnische minderheden Karen, Mon en Karenni behorende vluchtelingen in vluchtelingenkampen. In de noordelijke provincies woont een scala van etnische minderheden. De meeste zijn bergbewoners die Thailand vanuit het noorden (voornamelijk uit Birma en Laos) zijn binnengetrokken. Een aantal van deze bergbewoners zijn de Akha, de Lisu, de Karen en de Hmong.

Elke bevolkingsgroep heeft een eigen unieke identiteit, cultuur, religie, taal, kunst en klederdracht. Gemeen hebben ze dat ze alle in het hoogland wonen en hun hoofdbestaan in de landbouw vinden. Alle stammen zijn gastvrij en ontvangen graag toeristen in hun dorpen, niet alleen om ze te laten kennismaken met hun levenswijze, maar vooral om hun karige inkomen aan te vullen. Er zijn verschillende bergstammen:

De Lisu/Lissou stam bestaat uit ongeveer 22.000 mensen. Zij wonen het hoogst, ongeveer op 1.800 meter, en verspreid over 80 dorpen in de noordelijke provincies rond Chiang Mai en Chiang Rai. Hun oorspronkelijke woongebied is het oosten van Tibet. De stam bestaat uit landbouwers en verdienen ook goed met de opiumteelt. Veel Lisu zijn overgestapt op de het maken en verkopen van handwerk. De Lisu maken hun kleren uit vrolijk gekleurde stoffen, die ze nog eens extra versieren met talloze, eveneens bont gekleurde, reepjes stof. Lisu-mannen maken muziekinstrumenten, vogel- en wildvallen en andere voorwerpen van hout, bamboe en rotan.

De Khamustam behoort tot de kleinere bergstammen. Ze leven grotendeels langs de Thais-Laotiaanse grens in de provincie Nan. Hun aantal wordt geschat tussen 7.000 en 10.000. Hun thuisland is Laos. Ze kwam naar Thailand om te werken in de bosbouw maar na afloop van de contracten kozen ze er voor om in Thailand te blijven wonen. U kunt deze stam in de provincies Nan, Lampang en Kanchanaburi vinden. Ze leven van de landbouw, aangevuld met jagen, vissen en handel.

Hmong bergvolk Mien bergvolk
Het Hmong bergvolk                                                                                                                                                   Het Mien bergvolk

De Meo (Hmong) leefden ooit in de bergen van China en Laos. De groep in Thailand telt ongeveer 60.000 leden. Zij wonen in 148 dorpen. De Hmongdorpen worden op grote hoogte, onder de top van een beschermende berg, gebouwd. Al zeer lang houden de Hmong zich grotendeels in leven door de verbouw van papaver voor opium. Langzaam (onder druk van de Thaise regering) proberen ze de teelt de rug toe te keren en leggen ze zich steeds meer toe op het promoten en de verkoop van hun schitterend en vakkundig naaiwerk als aanvulling op het inkomen. De kleding van de Hmong zijn rijkelijk versierd met schitterend borduurwerk en zilveren sieraden.

De Yao/Mien tellen enkele miljoenen leden, verspreid over het bergland van Zuidoost-Azië. In Noordoost-Thailand wonen er ongeveer 55.000 Yao in meer dan honderd dorpen. Ze beschouwen zichzelf als de adel onder de bergstammen. Ze komen oorspronkelijk uit Midden-China. De Yao zijn de enige bergstam met een geschreven taal. Yao-dorpen bevinden zich meestal op de lagere heuvels. Generaties lang is de economie van de Yao gebaseerd op het verbouwen en verhandelen van opium. Opiumverslaving onder de Yao zelf komt echter zelden voor. De kleding bestaat uit een lange zwarte jas die wordt afgezet met wollen scharlaken (rode) revers, met daaronder een ruimvallende broek met ingewikkelde patronen. Op het hoofd een met borduurwerk versierde zwarte tulband.

De Akha zijn een van Tibeto-Birmaanse oorsprong en zijn met ongeveer 50.000 leden. Ze leven op vrij grote hoogte in de noordelijke provincies. De grootste concentratie Akha-dropen ligt in Chiang Rai, gevolgd door Chiang Mai. In de kringen van de Thaise regering wordt deze stam als de meest primitieve groep beschouwd want ze kunnen noch lezen noch schrijven. Hun dorpen zijn herkenbaar aan de prachtige uit hout gesneden toegangspoorten waarover gewaakt wordt door beschermheiligen (geesten). De Akha vullen het inkomen aan door het traditionele handwerk (kleren en gebruiksvoorwerpen) te verkopen aan toeristen. Vrouwen dragen brede broeken, een korte zwarte rok, daarop een wit met kralen versierd tasje en een los zwart jasje met geborduurde manchetten en revers. De zwarte mutsen zijn versierd met zilveren munten, zilveren schijfjes, oude munten, zilveren balletjes en kralenkettingen.

Akha bergvolk Karen bergvolk Palong bergvolk
Het Akha bergvolk                                                                             Het Karen bergvolk                                                                 Het Palong bergvolk

De Lahu leven in de bergachtige gebieden van Noord-Thailand. Hun oorsprong ligt in de Tibetaanse hooglanden. Er leven nu ongeveer 25.000 Lahu in Thailand. Het is de 2e bergstam in Thailand. Lahu-huizen zijn gebouwd op hoge palen, met wanden van bamboe en planken. De daken zijn gedekt met gras. Lahu-vrouwen zijn bekwaam in het weven van stoffen en het maken van zeer fijne lapjesstof (ook voor jasjes) en opvallend borduurwerk.

De Lawa of Lue komen alleen in Thailand voor. De meeste Lawa wonen in het grensgebied met Myanmar. Ze zijn aanhanger van een mengvorm van boeddhisme, animisme en voorouderverering. De Lawa worden niet echt tot de bergstammen gerekend. De meeste Lawa gebruiken het Thai dan ook als hoofdtaal. Alleen op het Bo Luang plateau leven nog ongeveer 14.000 Lawa afgezonderd en volgens de eigen oude tradities. Hun economie is gebaseerd op landbouw voor eigen gebruik en bestaat voornamelijk uit rijstbouw volgens het wisselsysteem (wisselbouw). Ongetrouwde Lawa meisjes dragen wijde witte bloezen afgezet met roze kanten en strakke rokken met evenwijdige stroken in blauw, zwart, geel en roze. Om hun nek dragen ze opvallende oranje en gele kralen halssnoeren. Na het huwelijk wordt deze kleurrijke outfit vervangen door een wat soberder, lange licht geelbruine jurk, maar de kralen halssnoeren blijven. De vrouwen dragen hun haar geknoopt in een tulband.

De Karen is veruit de grootste bergstam van Noord-Thailand. De 210.000 Karen wonen her en der langs de grens met Myanmar zowel in de laagvlaktes als in de bergen Hun woongebied strekt zich ook uit tot ver in Centraal-Thailand. De verschillende groepen binnen deze volksstam onderscheiden zich van elkaar door de kleur van de vrouwenkleren, het dialect en de godsdienst. Karen leven in paalwoningen van bamboe. Hieronder scharrelen hun huisdieren, varkens, kippen en buffels. De Berg-Karen beoefenen ruillandbouw; de Laagvlakte-Karen houden zich grotendeels bezig met de verbouw van rijst. Karen-vrouwen staan bekend om hun weefkunst en vaardigheid op het weefgetouw.

                              Lahu bergvolk Longneck bergvolk
                                                     Het Lahu bergvolk                                                                          Het Longneck bergvolk

De Mlabris leven in Noord-Thailand en is de meest geïsoleerd levende bergstam. De stam bestaat uit honderden nomadische jagers. Ze werden pas enkele decennia geleden ontdekt. 'Mlabri' betekent letterlijk 'mensen uit het woud'. Deze stam wordt door de Thai 'Phi Tong Luang' genoemd, of wel 'de geesten van de gele bladeren'. De stamleden zijn verzamelaars en jagers die leven in zeer klein gezinsverband. Door de houtkap en ontginning van grond voor de landbouw is hun natuurlijk leefgebied (de jungle) ernstig aangetast. Het is voor de Mlabri bijna onmogelijk geworden om hun bestaan als nomadische verzamelaars en jagers te handhaven. Het is noodzakelijk om als landarbeider te werken voor andere bergstammen in ruil voor eten en (oude) kleding. De toekomst van deze stam is niet rooskleurig.

De Palong leven in het dicht beboste berggebied in het noorden langs de grens met Birma. Momenteel bedraagt hun aantal ongeveer 60.000 leden. De Palong zijn verwant aan de Karen. De Palong zijn te herkennen aan de opvallende klederdracht van de vrouwen en bestaat uit rode gewaden (sarongs) met daarop een blauw jasje met rode kraag en om het middel een brede zilveren band.

De zogenaamde giraf-vrouwen of long-necks worden tegenwoordig meer gezien als een toeristische attractie en worden in die zin vaak uitgebuit. Het toerisme is wel hun enige bron van inkomsten, omdat ze als vluchtelingen geen recht hebben om landbouwactiviteiten te ontplooien. Zowel mannen als vrouwen versieren hun tanden met goud.

De Thins zijn één van de langst aanwezige bergstammen in Thailand. Er leven ongeveer 28.000 Thins in Noord-Thailand. Hun huizen zijn gebouwd op palen en hebben bamboe vloeren en wanden. De Thins praktiseren ruillandbouw. Zij verbouwen plak- of kleefrijst, het hoofdvoedsel van de Thai in Noord-Thailand.

Taal
De officiële taal is het Thai, dat de moedertaal is van ongeveer 80% van de bevolking. U zegt sawadee bij begroeting en afscheid. Mannelijke sprekers voegen daar 'khrap' aan toe, vrouwelijke 'kha'. Buiten Bangkok zijn Thai vaak niet gewend om bezoekers een hand te geven maar begroeten elkaar met de Wai.

Begroeting
De wijze van groeten, de Wai, is een traditioneel gebaar, dat wordt gemaakt door de handpalmen tegen elkaar te plaatsen en ze naar het gezicht te brengen, terwijl men het hoofd licht voorover buigt. Als toerist zal niemand het u echter kwalijk nemen als u gewoon een hand geeft, maar het maken van een Wai zal, omdat de Thai het vaak niet verwacht van een buitenlander, zeer gewaardeerd worden. Hoe hoger de persoon in aanzien staat die u begroet, hoe hoger de wai moet zijn. De normale beleefdheidswai, is de wai waarbij de duimen van de gevouwen handen zich direct boven het hart bevinden van degene die wait. Daarnaast zijn er de wais met de duimtoppen ter hoogte van de kin tot aan de neuswortel, en alle gradaties daartussenin. De hoogste wai is voor de koning en voor Boeddha: hierbij de bovenkant van de duimen bevindt zich op uw voorhoofd. De hoger geplaatste wait nooit terug. Monniken vallen buiten dit geheel, zij waien nooit naar andere mensen, alleen naar Boeddha. De lagere in rang wait de hogere. En de jongere wait de oudere. Naast het waien buigt u ook uw hoofd naar beneden.

Klimaat
Er zijn 3 seizoenen in Thailand:
Het hitteseizoen is tussen maart en mei, tijdens deze periode kan de temperatuur oplopen tot ver boven de 40 graden.
Het regenseizoen dat begint in mei en eindigt begin oktober, in deze periode valt de meeste regen in de maanden augustus tot eind september. Het regenseizoen is onvoorspelbaar het kan kort en hevig regenen maar het kan ook dagen achter elkaar regenen.
Het droge seizoen is het overgangsseizoen. Dit droge seizoen is bij de bevolking bekend als het winterseizoen. Het droge seizoen begint in november en eindigt in december. In de meeste plaatsen is het overdag toch boven de 25 graden maar de avonden kunnen in sommige plaatsen vrij koel zijn. De gemiddelde temperatuur in Thailand is 26 tot 28 graden Celsius.

Beste reistijd
De beste reistijd om naar Thailand te gaan is voor iedereen verschillend. Het kan zijn van of u de drukte op wilt zoeken of niet, ieder seizoen heeft zijn voor- en nadelen. De drukste (toeristen) periodes zijn in februari, maart, augustus, november en december.

Religie
Boeddhisme is de belangrijkste religie voor Thailand. Ongeveer 94% van de bevolking hangt deze religie aan. Het boeddhisme is echter geen godsdienst, maar een filosofisch stelsel en een levenshouding. Er zijn geen goden. Het boeddhisme kent wel monniken, maar weer geen kerkelijke organisatie.

Belangrijke adressen
* Thaise ambassade in Nederland:
Ambassade van Thailand
Laan Copes van Cattenburch 123
2585 EZ Den Haag
Telefoon: 0031 70 3450766
E-mail:
Website: www.thaiembassy.org/hague

* Nederlandse Ambassade in Thailand
15 Soi Tonson, Ploenchit Road
Lumpini, Pathumwan
Bangkok 10330
Telefoon: 0066 (0)2 309 5200
E-mail:
Website:
thailand.nlambassade.org

Elektriciteit
In Thailand is de voltage 220 Volt. U hebt een wereldstekker nodig om uw batterijen van camera’s, tablets en telefoons op te laden.

Gezondheid en inentingen
Bedek uw lichaam 's avonds zo goed mogelijk en smeer alle overblijvende blote plekken goed in met een muggenwerend middel (muggenmelk), bij voorkeur een middel waar een hoge concentratie DEET in zit. Het meest voorkomende probleem bij reizigers in Thailand is darmklachten. Neem een voorraadje diarreeremmers mee. Bij veel vocht- en zoutverlies kunt u ORS gebruiken. In Thailand komt vooral in een smal gebied langs de grenzen met Myanmar, Laos en Cambodja, malaria voor. In andere delen van Thailand is het risico op malaria zo klein dat u er geen malariapillen hoeft te slikken. Het kraanwater is in Thailand NIET drinkbaar, daarvoor koopt u flessen water. Deze gebruikt u ook om uw tanden mee te poetsen.
Er is voor een bezoek aan Thailand geen enkele vaccinatie verplicht. Vaccinatie tegen gele koorts is voor Thailand alleen verplicht als u in de zeven dagen voordat u Thailand binnenkomt in een gele koorts land bent geweest. Echter worden de volgende vaccinaties voor Thailand wel aangeraden: vaccinatie tegen DTP (Difterie, Tetanus en Polio) en vaccinatie tegen hepatitis A (besmettelijke geelzucht).

Grensdocumenten
Nederlanders moeten bij aankomst in Thailand in het bezit zijn van een geldig paspoort, dat bij vertrek uit Thailand nog tenminste zes maanden geldig is. Bij een verblijf van maximaal 30 dagen hoeft u geen visum aan te vragen. Iedereen die Thailand binnenkomt, dient bij aankomst een ingevulde arrival/departure card te overleggen. Deze krijgt u in het vliegtuig.

Thaise baths

Geldzaken
De Thaise Baht (THB) is de nationale munteenheid. Er zijn bankbiljetten van 10 Baht (bruin), 20 Baht (groen), 50 Baht (blauw), 100 Baht (rood), 500 Baht (paars) en 1000 Baht (grijs). Verder zijn er munten van 1, 2, 5 en 10 Baht. De Baht is onderverdeeld in 100 satang, met koperen muntjes van 25 en 50 Satang.

Het is niet nodig om Thais geld in Nederland aan te schaffen. In Thailand kunt u bij pinautomaten geld opnemen met uw bankpas of creditcard. In Thailand zijn de pinautomaten bekend als 'ATM's'. Deze ATM’s vindt u vrijwel overal, zoals op het vliegveld, bij banken, warenhuizen of supermarkten. Vergeet voordat u vertrekt niet bij uw bank uw pinpas te activeren voor pinnen buiten Europa; deze functie staat bij de meeste banken standaard uitgeschakeld. Per opname betaalt u transactiekosten aan de gastbank in Thailand; meestal is dit 180 baht per transactie. Veel Nederlandse banken rekenen daarnaast ook nog eens extra kosten per opname, dit verschilt per bank.

Tijdsverschil
Het is in Thailand 6 uur later dan in Nederland. Tijdens onze zomertijd is het verschil 5 uur.

 

 

Volg JTravel op Facebook, Instagram, Twitter, Pinterest en Bloglovin’.

 

Bewaar op Pinterest


Hier lees je informatie over Thailand, zoals de taal, geschiedenis, klimaat, geldzaken, grensdocumenten, bevolking en klimaat. Meer lezen doe je hier. Lees je mee? #thailand #informatie #jtravel #jtravelblog

 

Deel dit artikel: